Verloren zoon
Het park, de vijver en het pad zijn voor de vogels.
Ons rest de uitgeschakelde fontein.
De muziektent. Onze zijdelingse blik.
Wij zijn alleen, mijn stad en ik.
Mijn stad, mijn slaperige stad.
Hij zucht. Langs de in flarden mist verpakte takken
trilt zijn stem, gedragen door de lucht.
Hij laat zich zakken tot mijn oor.
Hij maakt zich klein en fluistert.
Ik luister en ik hoor hem aan.
Mijn stad vraagt:
waarom ben je weggegaan?
Mijn kind, mijn zoon verloren aan het westen,
ben je niet uit mij ontstaan?
Hier schreef je toch je eerste brief?
Hier beleefde je je eerste liefde!
Mijn beste jongen, waarom ben je weggegaan?
Zijn het mijn boomomlijste wegen?
Zijn het mijn parken en de maan?
Zijn het de beken in mijn bossen?
Waarom ben je weggegaan?
Zijn het mijn villa’s en paleizen?
Zijn het mijn velden en het graan?
Zijn het mijn heuvels en de bomen?
Waarom, toch, ben je weggegaan?
Mijn stad is stil, hij kijkt me aan.
Ik moet gaan staan en maak me groot
om bij zijn oor te komen.
Nee, mijn stad van klein verdriet en ingetogen dromen.
Daarom ben ik niet weggegaan.
Je mensen niet, je parken niet,
je huizen en je velden niet,
je lanen en de maan
noch je bossen en je bomen:
geen van hen heeft me doen gaan.
Om hen ben ik juist teruggekomen.
Jelmer Jellema
Ugchelen, december 2008
© Jelmer Jellema
Bekroond met de Publiekprijs Stadsgedicht Apeldoorn, 2009
Ontvang nieuwe gedichten en nieuws in uw mailbox: word lid van de nieuwsbrief.

