Eenzaam hoogtepunt
Vannacht
Niet vergeten
en toch maar al te vaak niet willen weten
hoe de nacht gesloten voor de sterren
in een zonneloze dag vergaat.
De liefde is nog slechts een Lied Van Lang Geleden.
Voor geluk of pijn
je tranen
je in leven zijn
ben je al maandenlang te laat.
Om beneden in de door met schemerende vlagen eigenhaat bedekte bodem
nog tot iets moois te kunnen komen
is de moed al lang ontnomen.
Dus ploeg je enkel langzaam voort.
Jij en je kapotte tot verrotte saaiheid uitgekauwde woorden,
jullie houden van elkaar en storten je zo elke nacht op een goedkoop
met een halfslachtig handgebaar ontstaan orgasme van de schijnbaarheid.
Want soort zoekt soort.
Dus
op naar de vergetelheid.
Moede buigzaamheid
Ach laat me maar, het is niets anders dan de spijt te weten dat ik nimmer dieper weg zal gaan dan dit
het is de angst voor het bestaan in duidelijkheid
het zijn de bloemen aan het raam van mijn verlangen
een bergtop in het dal van mijn bezonnenheid.
Er komt misschien een dag dat ik me weer uit alle macht aan al die zielen kan vergrijpen
die me nu voor niet meer dan een uur in mijn onaangedaan voorbijgaan
vinden, binden en verslaan.
Droom
Ze bedriegen me
bedreigen me
liegen me voor en pijnigen me
soms denken ze me te begrijpen
maar meestal verdwijnen ze in mijn al te felle licht.
(Er zit geen geest meer in die fles dus doe ik hem maar dicht).
Maar soms blijven ze.
Overdag
Februari, tweeentwintig jaar.
Er hangt een kerstlucht in de stad.
De grauwe lichten van het onbezomerde bestaan.
Ik weet niet hoe of wat en daarom kom ik terug.
In de grijze verte zie ik nog
een eenzaam hoogtepunt vergaan.
Jelmer Jellema
Amsterdam, februari 1994
© Jelmer Jellema

