Winterlied
I
Na een volle nacht van eenzaam manoeuvreren in een onbekend gebied
lijkt deze niet zo trouwe wachter
niks te kunnen doen dan terug te keren naar zijn oude winterlied.
Misschien je wel bekend.
Nochtans zit hij rustig binnen met een pilsje en zijn shag
muziek en appelmoes
En alles goed
En alles goed.
Maar buiten door de straten waait een hopeloze wind
meedogenloos verslindend sentiment van donkerheid
en de nachten en de geuren
onveranderende tijd.
Alle make-believe ten spijt.
Ik ben dus toch dit winterkind....
Kijk toch naar mijn werkelijkheid:
De vuile weemoed van het niet willen vergeten
tezamen met de trage hartstocht van het onbevangen zijn
en dáárbij nog de hete pijnen van het steeds ontvankelijk zijn.
Maak je maar geen zorgen:
mijn chaos wordt met vakmanschap bestuurd.
II
En zie je niet met hoeveel leed de klanken van dit oude winterlied mij overheersen?
Dus houd je nu maar stil.
Je kille bed is snel genoeg gevuld met zweet
want we drinken nog een glas en gaan.
Denk niet dat ik nu stil ga staan bij Wat Ik Niet Vergeet
Ik heb daarvoor zo mijn persoonlijke momenten in de kou.
En dit is jouw moment,
Of meer:
deze nacht is ook van jou.
Voor even.
Maar wees nu zacht voor me.
Mijn leven jou mijn leven jou in geen geval.
Ik wou dat alles was zoals mijn winterlied:
verbaasd genieten van de lieve lust
en uitgeblust mijn jonge hart verluchten.
Ik lig en tel mijn liefde in haar zuchten.
Haar liefde mij haar liefde mij.
De geneugten van de afgewezen tijd
en jij?
Deze wederzijdse hitsigheid is dan voorgoed voorbij
want ruimte zie ik niet.
Ik zie alleen mijn dromen en de goddelijke klanken.
Winterlied.
Jelmer Jellema
Amsterdam, november 1993
© Jelmer Jellema

