ZOMERTIJD
I
Het is geen dag om naar je toe te rennen
Het is geen dag om van je af
Het is een dag voor in je armen
Dertig graden
Zomerzon.
Godzijbedankt
Eindelijk is het dan te warm om na te denken
Te klam om meer te doen dan zitten op een stoel op mijn balkon
En rustig aandacht schenken aan je wijde blik
Mijn nutteloze vragen, de ongesproken woorden, de grote ledigheid
De moordend onbeduidend eeuwig gaande tijd
Ooit was het mij een onontgonnen onbekend gevaarlijk land.
Nu wagen we het niet om verder door te praten
Hoe meer verzadigd van gedoe
Des te beter kan ik alles achterlaten
Des te zachter neem ik nu je hand.
II
De zomerregen
Een gênante poging tot herstel
Van de wederom vernietigende kracht van de gedachten
Maar nu kan hij ons veilige gestel onmogelijk aan
Kranig strijden wij door niet te strijden
Ongemerkt vermijden we zo elk gevaar.
Maar stel je nog eens voor:
We zwalken dagen over straten
Nachten in lantaarnlicht
Vol van wanhoop loop ik mee
En samen zouden we wellicht de wereld nemen
(Dat had ik toen nog niet bedacht)
Een zee van golvend noodlot spoelde ons kapot!
Zacht werden we verdreven door een nieuwe maan
Die de lafaard en de gek bescheen
Zo zijn we toen verdwenen
Dat is hoe we zijn gebleven tot een nieuw begin
Een volle lege tijd een nieuwe volle maan.
Ga zitten waar je bent, het is tijd voor een gesprek
In idealen
In gevoelens
In gedachten
Niet
In woorden kan ik slechts bestaan.
III
Mag ik je dit vragen:
Ken je het dat de dagen gaan en nooit echt wezen mogen
Gebogen onder plannen?
Durf me aan te raken
Raak me niet aan maar houd me vast.
Het liefste sloot ik me nu in
Alle kanten vol gordijnen
Slechts het koude koelkastlicht en mij
Liggend op de keukenvloer
Jou rustig wat vertellen.
IV
Zie jij de zon die langzaam ondergaat?
Ben je zo iemand die zichzelf graag 's avonds laat door breed verlichte straten een vrije richting op wil laten drijven tot het einde van de stad?
Het is toch veel te warm om te gaan rennen!
Dertig graden, zomerzon
Laten we niet denken, laten we niet wennen
Toen kon ik niet, nu zal ik me laten gaan
Om langzaam in de diepe nacht
Volledig te bekennen.
Zacht schreeuwen we het uit:
Houd me vast en grijp me aan!
Jelmer Jellema
Amsterdam, juni 1993
© Jelmer Jellema

